IAN beschrijft een case in Eindhoven waar zij als incassobureau bij betrokken waren:

Vonnis van de kantonrechter van ..-..- 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X,

gevestigd te Venlo,

eisende partij,

gemachtigde I.A.N./Incasso Associatie Nederland,

 

tegen:

 

Y,

wonend in Duitsland,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna X en Y  worden genoemd.

1.                                                    De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

  • de conclusie van antwoord het tussenvonnis d.d. ..-..-2017
  • de akte na tussenvonnis van X

de conclusie van repliek.

1.2.            Y heeft, hoewel hij daartoe bij brief van de griffier d.d. 28 juni 2017 in de
gelegenheid is gesteld, geen conclusie van dupliek genomen zodat zijn recht daartoe is vervallen.

1.3.               Ten slotte is vonnis bepaald.

2.                        De feiten en het geschil

2.1. Y huurde van X sinds 2013 tot en met 2016 een ligplaats in  Venlo

ten behoeve van zijn boot. Tevens huurde gedaagde een parkeerplaats voor zijn auto. Op de huurovereenkomst(en) zijn de door X gehanteerde HISWA-voorwaarden van toepassing.

2.2. X heeft Y jaarlijks een factuur gestuurd voor de ligplaats en een factuur voor de parkeerplaats,

2.3. X vordert thans bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van

gedaagde tot betaling van € 5.585,69, vermeerderd met de contractuele rente, vermeerderd met 3 % per jaar over de som van C 4.591,76 vanaf 6 november 2016 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.                        De beoordeling

3.1.               Aangezien gedaagde woonachtig is in Duitsland dient — alvorens overgegaan kan

worden tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil — allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen alsmede welk recht van toepassing is.

3.2.            De vordering is aanhangig gemaakt bij een gerecht in Nederland. De vordering in de

hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak en is ingesteld na 10 januari 2015 zodat de Herschikte EEX-Verordening, de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Herschikte EEX­Vo) van toepassing is. De bevoegdheidsvraag dient derhalve aan de hand van de Herschikte EEX-Vo te worden beantwoord.

3.3.             Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Herschikte EEX-Vo dient een

gedaagde partij in beginsel te worden opgeroepen voor het gerecht in de lidstaat waarin hij zijn woonplaats heeft, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 24 en artikel 25 Herschikte EEX-Vo.

3.4.       In artikel 24 lid 1 Herschikte EEX-vo is, ongeacht de woonplaats van partijen, bij

uitsluiting bevoegd de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is indien het gaat om zakelijke rechten op huur en verhuur van onroerende goederen. Nu de gehuurde lig- en parkeerplaats — welke naar hun aard als onroerend moeten worden aangemerkt — in Venlo zijn gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

3.5.          Ten aanzien van het toepasselijke recht, geldt ingevolge artikel 4 lid 1 sub c van de

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) dat het recht van toepassing is van de lidstaat waar de verhuurde onroerende zaak is gelegen. Nu de gehuurde lig- en parkeerplaats is gelegen in Venlo, is op de huurovereenkomst Nederlands recht van toepassing.

3.6.            De kantonrechter komt toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

3.7. X heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij jaarlijks aan Y facturen stuurde voor de huur van de lig- en parkeerplaats, maar dat Y die facturen onbetaald heeft gelaten. Y heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat hij alle facturen heeft voldaan. Bovendien was Y voornemens om de boot te verkopen en is door X een prijs geboden voor de boot.

  3.8. X heeft de stellingen van Y betwist. De facturen heeft Y nimmer betaald. Ten aanzien van de stelling dat X een bod gedaan heeft voor de boot, heeft X toegelicht dat dit enkele jaren geleden is geweest en dat het bedrag dat toen voor de boot betaald zou worden gelijk stond aan de huurachterstand die er op dat moment was. Dit aanbod is echter door Y van de hand gewezen, zodat het nooit tot een koop c.q. vereffening van de huurachterstand is gekomen.

  3.9. Vast staat dat Y hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie

van dupliek heeft genomen. Dit impliceert echter niet dat hij zijn oorspronkelijke verweer heeft prijsgegeven, Wel moet daaruit worden afgeleid dat hij geen behoefte voelde om de nadere stellingen van X bij conclusie van repliek te weerspreken. De kantonrechter gaat er derhalve van uit dat de stellingen zoals die (nader) zijn ingenomen bij conclusie van repliek, juist zijn. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom ad € 4.591,76 voor toewijzing gereed ligt. De hierover verschuldigd geworden contractuele rente — inhoudende de wettelijke rente vermeerderd met 3% per jaar — zal, als niet weersproken, eveneens worden toegewezen.

3.10. X maakt aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage

van € 584,18. De kantonrechter stelt vast dat X voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Derhalve ligt deze vordering eveneens voor toewijzing gereed.

3.11. De slotsom is dat de vordering integraal kan warden toegewezen. Voor wat betreft

de gevorderde rente heeft te gelden dat over de toegewezen reeds verschenen rente alsmede de buitengerechtelijke incassokosten niet de contractuele rente kan worden toegewezen. Derhalve zal enkel over de hoofdsom de contractuele rente over € 4.591,76 worden toegewezen vanaf 6 november 2016. De gevorderde rente over de rentepost zal worden afgewezen nu in deze rentepost ook rente van het lopende jaar is opgenomen. Nu niet blijkt dat over de buitengerechtelijke incassokosten rente wordt gevorderd, zal hierover ook geen wettelijke rente word en toegewezen.

3.12. Y zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan

de zijde van eisende partij worden begroot op:

-     dagvaarding

€             80,42

griffierecht

€           470,00

-      salaris gemachtigde

€           500,00

totaal

1.050,42

 

4.                                                   De beslissing

 

De kantonrechter

 

4.1. veroordeelt Y om aan X tegen behoorlijk bewijs van kwijting te

betalen een bedrag van € 5.585,69, te vermeerderen met de contractuele rente — zijnde de wettelijke rente vermeerderd niet 3% per jaar — over € 4.591,76 vanaf 6 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

4.2.veroordeelt Y voorts in de kosten van de procedure aan de zijde van X gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.050,42,

4.3.        verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

  4.4.          wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. ……. en in het openbaar uitgesproken.